Samuel, een verhaal in acht delen VIII

In een donker barretje in een achterafsteegje nipten ze aan een cocktail. Victor was naar huis gestuurd, of toch naar een veilig adres. Samuel vond het jammer dat de jongen weg moest, maar hij snapte heel goed dat Consolación geen enkel risico met haar kind wilde nemen. Hij was verbrande waar, wie weet hoeveel mensen hij al in de problemen had gebracht. Consolación had haar zonnebril in haar geblondeerde haar geschoven. Ze keek Samuel strak aan. ‘De man op de foto is dood. Teruggevonden op een vuilnisbelt met zijn ogen uitgestoken.’ Samuel knikte. Hij had het verwacht en toch schrok hij, vooral van die ogen. Hoewel een mensenleven in dit land niet veel waard was, werden de lichamen van ‘staatsgevaarlijke individuen’ zelden verminkt. Het had iets te maken met een katholieke traditie, waardoor de moordenaars een zeker respect hadden voor hun slachtoffers. Samuel vermoedde dan ook dat het ging om verraad. Arturo had iets gezien wat hij niet had mogen zien, en zijn beulen wilden graag dat iedereen dat wist.

Consolación zag er moe uit, maar Samuel vond haar prachtig. Het summiere licht in de bar viel op haar glanzende gebruinde huid. Haar lange nek ontroerde hem. Zo kwetsbaar ze nu tegenover hem zat deed ze hem denken aan de beste momenten met Helena. De tijd waarin hij haar kwetsbaarheid mocht zien lag ver achter hem, maar hij kon de herinnering haast aanraken, zo tastbaar leek deze. Samuel stelde zich graag voor dat hij als enige ter wereld die kwetsbaarheid had mogen zien. Hoe ze ‘s ochtends met verwarde haren naast hem in bed lag, licht snurkend. Hoe ze lachte om een slechte mop, zíjn slechte mop. Hoe ze at, met een gulzigheid die hem altijd verbaasde. En dronk. Helena dronk als een havenarbeider. Ze hield van wijn en bier, maar verkoos whisky. Liters hadden ze samen gedronken. Vaak hele goedkope, soms exclusieve die ze uit haar vaders drankkabinet ontvreemde. Helena kon heerlijk drinken. Het maakte haar zorgeloos en meestal wilde ze op de meest onmogelijke uren nog ergens gaan dansen. Samuel had alle nachtclubs van de stad met Helena bezocht. Bezorgd over haar, hoe ze flirtte met ongure mannen. Ook al was hij kapot, en kon hij geen slok meer binnenkrijgen, hij bleef bij haar, haar volgend naar de zoveelste tent, het zoveelste glas. Totdat ze hem achterliet en naar huis ging met een nieuwe verovering. Ziek bleef hij de rest van die nachten over straat dwalen. Dronken, misselijk, zo jaloers dat zijn maag er van samentrok. En altijd met de hoop dat hij haar weer zou zien, ergens op een dansvloer, lachend aan de arm van een gloednieuwe liefde. Samuel zou Helena trouw zijn tot zijn dood, alleen liet ze dat niet toe. Helena wilde niemand, en Samuel nam zijn verlies, hoe onmogelijk het leven zonder haar ook leek.

In zijn ooghoeken zag Samuel een man de bar binnenkomen. Consolación schoof met haar voet een stoel naar hun tafeltje waarop de man ging zitten. ‘Zo zusje, welke straathond redden we vandaag?’ De man had een opvallend lichte stem en een vrolijke oogopslag, zijn lange haar had hij in een knot in zijn nek gebonden, zijn tanden waren Amerikaans wit. Samuel wist niet wat hij van de man moest denken, maar als Consolación hem vertrouwde, dan zou hij dat ook doen. Bovendien waren ze familie, iets wat heilig was in dit land. ‘Arturo, hij moest naar Arturo.’ Consolacións stem was hees, de sigaret in haar hand trilde licht. De man snoof. ‘El tonto!’, siste hij, ‘wie laat zich nu ook betrappen met die slet van el General?’, Samuel viel haast van zijn stoel, de bar draaide om hem heen. Zijn contact had een affaire aangeknoopt met de minnares van de president van dit godgeklaagde land? Samuel slikte hoorbaar, de man grijnsde naar hem. ‘Ja kameraad, je mag blij zijn dat jíj je ogen nog hebt!’, bulderend sloeg hij Samuel op de schouder. ‘Niet zo hard, Jorje, in jezusnaam’, Consolación trapte haar broer onder tafel. ‘Ach wat, af en toe mogen we toch lachen om onze ellende? Anders droog ik uit van het huilen. Maar geen zorgen, we weten dat Arturo een ongelofelijk domme kloot was met ballen van staal, maar een verrader was hij niet. De kans is reëel dat we onze witte vriend hier het land nog uitkrijgen als we snel genoeg zijn.’ Jorje legde een treinticket op tafel. ‘Als je over een uur vertrekt ben je morgen veilig de grens over. Je moet alleen wel genoegen nemen met derde klas, de revolutie kost ons nogal wat. Oh en verbrand je paspoort, als je controle krijgt zeg je maar dat het gestolen was. Als het een douanier van de buren is, zou ik de criminaliteitscijfers in dit kloteland zeker even melden, ze grijpen daar alles aan om onze Generaal belachelijk te maken, dan maak je zo’n man zijn dag.’

Consolación kneep in zijn hand, haar amberkleurige ogen waren donker, haar glimlach vermoeid. Samuel vroeg zich af of de vader van Victor nog in leven was. ‘Maar wie heeft die foto in de krant geplakt? Wilde iemand me helpen of was het een bedreiging? Ik snap het niet.’ ‘Wie snapt er iets van dit land? Hoofdzaak is dat je jezelf nog kan redden, maar terugkeren kun je nooit meer, kameraad. Dan word je van het vliegtuig zo aan het plafond gehangen met 1000 volt op je harige ballen.’ Jorje lachte om zijn grap en dronk Samuels glas leeg. ‘Ik haal nog één rondje om te toosten op een goede reis, kameraad!’ en hij liep naar de bar.

Een diep gevoel van verlies overstroomde Samuel. Nooit meer terugkeren voelde als het amputeren van al zijn ledematen. Wat moest hij zonder dit land? Zonder zijn vrienden? Hoe zou hij kunnen leven zonder Maria ooit terug te zien? Of Constanza? En Consolación of hoe ze ook echt heette? En wat wachtte hem thuis? Een huis met een halflege kledingkast?  Hij zou zijn jaren moeten slijten in een druilerig land dat niet van hem hield en waar alles hem herinnerde aan zijn verleden. Als dat de keuze is, dacht Samuel, kies ik de dood boven levend begraven worden. ‘Nee’, zei Samuel en hij verscheurde het treinticket. Consolación keek hem verbijsterd aan, de stukken van het ticket gooide Samuel op de grond. Ze dook ze achterna, probeerde de delen met speeksel te plakken. ‘Nee, niet doen. Ik vlucht niet meer. Alles wat ik heb in dit leven, al mijn gelukkige herinneringen, mijn hele hart heb ik te danken aan dit land. Niemand krijgt me hier weg.’ Samuel stond op en omhelsde Consolación. De tranen stroomde over zijn wangen maar hij voelde zich gelukkiger dan ooit. ‘Je kan niet vluchten van je eigen thuis.’ Jorje had hun drankjes op het tafeltje gezet. Gedrieën hieven ze het glas. ‘Volkomen gestoord, kameraad! Maar welkom ben je! Nu alleen nog even een plaksnor voor je regelen en we leven nog lang en gelukkig!’ Lachend nam Samuel een slok. Het proefde naar leven. Het smaakte naar Helena. Het voelde als thuis.

Samuel, een verhaal in acht delen VII

De hitte drukte op Samuels lichaam, zijn haar voelde aan als een helm door de pommade die niet toeliet dat zijn zweet kon verdampen. Een walm weeïge popcorngeur draaide zijn maag om. Hij wilde opstaan, maar wist niet waar hij heen moest gaan. Nooit eerder in zijn leven vochten verzet en angst zo om voorrang in zijn hoofd. Samuel verlangde naar een koel bed onder een zoemende fan, met frisse witte lakens en een zachte zeebries die hem in slaap wiegde. Het was een gestolde herinnering van alle middagen die hij naast Helena had gelegen, misschien wel de gelukkigste dagen in zijn leven, die Samuel altijd opriep als hij tot rust wilde komen. Maar in plaats van een geruststellende uitwerking bezorgde het beeld hem steken in zijn maag en kloppende slapen. Hij stond op maar het park draaide voor zijn ogen. Voorzichtig liet hij zich terugvallen op het bankje, de krant was van zijn schoot gegleden, de foto met de afbeelding naar beneden lag in het zand. Samuel hield zijn hoofd tussen zijn handen, hij probeerde zijn ademhaling onder controle te krijgen. Een verzorgde damesvoet verscheen onder zijn neus, ze stapte op de foto. Terwijl ze vooroverboog en hem op de wang kuste, pakte ze de krant op en legde hem over de foto. Toen hij opzij keek, zag hij dat het de serveerster uit de ontbijtzaal was. ‘Dag liefste’, glimlachte ze. ‘Qué calor, non?’, en pakte zijn hand.

Haar grip verstevigde zich onzichtbaar terwijl ze haar dij dicht tegen Samuels been drukte. De krant lag nu onder de bank, uit het zicht voor voorbijgangers. Een kleine jongen met een zakje duivenvoer ging voor de vrouw staan. Zijn ogen waren amberkleurig, net als die van zijn moeder. Zijn haar was donkerrood, iets wat in dit land zelden voorkwam. ‘Dit is Victor, zeg eens hallo tegen Samuel, Victor’, zei de vrouw. Victor schudde Samuel plechtig de hand, Samuels handpalm was plakkerig van het zweet. Na hem ernstig opgenomen te hebben liet de jongen zijn hand weer los. ‘Ga maar spelen’, zei de vrouw. Op een drafje liep Victor naar een troep duiven bij een marmeren fontein waar hij zijn zakje voer in één keer leeg kieperde. Victor rende gillend door de klapwiekende dieren heen, verbeten probeerde hij een duif te vangen. Samuel had zijn ademhaling weer onder controle, hij veegde het zweet van zijn voorhoofd.

‘Zal ik dan toch maar je gezelschapsdame voor vandaag zijn?’. Samuel kuste haar hand, ‘hoe zal ik mijn gezelschapsdame noemen?’. ‘Consolación, alleen voor jou, alleen voor vandaag.’ Samuel lachte, de vrouw zette haar tas op de grond. ‘En ook alleen voor jou, alleen voor vandaag noem ik je Samuel, señor Singer.’ Ze stak een sigaret op. De rook uitblazend zei Consolación: ‘En we moeten jou hier heel snel weg krijgen.’ Samuel knikte, liet haar hand los en veegde de krant onder de bank vandaan met zijn voet. ‘Eerst even dit weggooien’, maar voor hij richting de vuilnisbak kon lopen, zette Consolación haar sigaret op de krant, en wapperde ermee naar Victor. De jongen zette het op een krijsen, en voor Samuel wist wat er gebeurde, liep de vrouw luid foeterend op haar zoontje af met de brandende krant boven haar hoofd.

‘Rotbeesten, smerige, vuile ratten! Blijf van mijn kind! Blijf er af!’ Stukken brandend papier landden tussen de duiven die in paniek uiteen stoven. Victor bleef gillen en Consolación bleef tieren en met de krant slaan tot er weinig meer over was dan een hoekje papier. Ze gooide het in de vijver en pakte Victor bij zijn hand. Luid pratend troostte ze haar kind en liep met Samuel aan haar andere hand naar een kraampje met ijs. Gedrieën likkend aan een felkleurig bolletje wandelden ze richting de bootjesverhuur. Samuel betaalde en het komende uur zaten Consolación en Samuel opzichtig te flikflooien te midden van de parkvijver terwijl Victor over de rand met zijn handen vissen probeerde te vangen.

Verdoofd door de hitte van de zon, en zelfs een beetje verbrand stapten ze aan wal. Het park zou snel sluiten, en slenterend voegden ze zich bij de stroom bezoekers die door de hoofdingang de stad weer inliepen. Victor liep zwijgend tussen hen in. Samuel voelde zich opgelaten, hij wist zich bij kinderen nooit een houding te geven. Victors zwijgen was niet nukkig, eerder onverschillig. Samuel vreesde dat hij lang niet de eerste vreemde man was met wie zijn moeder hand in hand liep. Maar het was ook geen jaloers zwijgen. De jongen had hem niet vijandig behandeld, hij was gewoon een kind van dit land. En de kinderen hier leerden al heel vroeg dat je beter geen vragen stelde. Hoe minder je weet, hoe veiliger. Victor kneep in Samuels hand. Consolación mocht trots zijn op haar zoon.

Samuel: een verhaal in acht delen VI

Met de telefoon aan zijn oor gedrukt stapte Samuel af en begon in de richting van de Opera te lopen. Aan de andere kant van de lijn hoorde hij de warme stem van zijn zus Nay. Officieel was ze geen familie, maar Nay en Samuel hadden samen een deel van hun jeugd doorgebracht in hetzelfde pleeggezin nadat de ouders van Samuel opgepakt waren en hij jaren niet wist waar ze waren. Nay’s ouders waren omgekomen en Nay was naar een rijk familielid in het noorden gestuurd die er echter niets in zag om een kind op te voeden van een ander. Nay had een tijdje op straat geleefd voordat ze in het pleeggezin terecht was gekomen. Samuel kende niemand zoals Nay. Ze had een harde jeugd gehad maar was altijd zachtaardig gebleven. Nay was streetwise op een beschaafde manier, en er was niemand die Samuel meer vertrouwde dan zijn zus.

‘Kun je praten?’, ‘Ja. Of eventjes toch.’ En in een paar korte zinnen legde hij Nay de situatie voor. Ze had geen tijd nodig om na te denken, en bevestigde zijn onderhuidse wantrouwen. ‘Ga er niet heen. Het is een list, ze willen je pakken. Ga naar een drukke plek, openbaar, een bankje in een park en open de krant daar. Je kunt niet meer terug naar je hotel. Althans: niet voordat je weet wat er in die krant zit.’ Samuel had zoiets zelf ook al bedacht maar het betekende veel voor hem zijn vermoedens door zijn zus bevestigd te zien. Hij moest ophangen maar ook dat wist Nay. Hun gesprekken duurden nooit langer dan een paar minuten, gevaar had altijd op de loer gelegen zolang ze elkaar kenden. Nay wist nooit waar Samuel was, en hij wist nooit waar zij was. Maar het was genoeg te weten dat de ander ergens was en Samuel had altijd gehoopt dat hij eerder dood zou gaan dan Nay. Een wereld zonder haar stelde hij zich liever niet voor.

In plaats van naar het adres te gaan, liep Samuel richting het stadspark dat achter de Opera lag. Het was een prachtige groene long, met een enorme vijver in het midden waar mensen met gehuurde bootjes op roeiden. Overal speelden kinderen en aan elke ingangspoort stonden wagens met opengeklapte luifels die koffie, snoep en ballonnen verkochten. Samuel kocht een kleine koffie in een kartonnen bekertje en zocht een bankje uit bij een drukke ingang waar verder niemand op zat. Hij vouwde de krant voorzichtig open en zag een kleine envelop met plakband op de pagina geplakt zitten. In de envelop vond hij een foto van de man waarvan hij ook een foto had, maar nu zat hij niet op een scooter maar op een terras met een donkere man. Met een schok herkende Samuel de man van die ochtend in de ontbijtzaal. Het was een val, en Constanza had hem voor de zoveelste keer gered.

Samuel dacht snel na. Als hij voor de dag om was zich niet gemeld had op de Calle de Gaztambide zouden zijn achtervolgers weten dat hij hen doorhad. De vraag was wat ze precies van hem wilden. Wilden ze hem opsluiten of wilden ze via hem aan Helena komen. Samuel had het koud, in de verte hoorde hij het gejoel van spelende kinderen, maar het drong niet echt tot hem door. Hij had altijd geweten dat er een dag zou komen dat ze hem zouden ontmaskeren, en hij wist dat hij niet in paniek moest raken. Het was nu vooral van belang geen anderen in zijn netwerk in gevaar te brengen. Maria was misschien al in de problemen gekomen na zijn bezoek vanmiddag aan haar bar, maar om Maria maakte hij zich geen zorgen. Zij was al vaker op brute wijze verhoord, en voelde geen angst meer voor de regering, slechts minachting. Toch hoopte hij vurig dat ze haar dit keer met rust zouden laten. Maar Samuel wist ook wel dat dat niemand gespaard werd. Hij moest zien te verdwijnen, maar daar had hij eigenlijk helemaal geen zin in.

Samuel was nooit geneigd geweest zijn problemen uit de weg te gaan. Nog jaren nadat zijn ouders verdwenen waren, was hij hen blijven zoeken, hoezeer anderen hem dat ook afraadden. Zijn ouders werden als verraders gezien, ze hadden de verkeerde kant van de geschiedenis gekozen, en hun kind werd als een schandvlek beschouwd. Zijn soortgenoten deden er alles aan om op te gaan in hun omgeving, het hoofd gebogen, alle vernederingen ondergaand. Maar Samuel was anders. Hij vertikte het om zich te schamen voor zijn ouders. Hij wist dat het niet waar was wat er werd verteld, maar niemand wilde hem helpen. Nog steeds werd hij midden in de nacht vaak wakker uit een droom waarin hij zijn moeder zag liggen middenin hun woonkamer. Een vreemde man lag op haar, kwijl kwam uit zijn mond. Zijn vader had hij nooit meer gezien, die zat waarschijnlijk al in het arrestantenbusje dat buiten bij hen voor de deur stond. Samuel had hem die ochtend voor hij naar school ging nog een kus gegeven. Soms kwam zijn vaders geur in de droom bij hem terug. Liza was al een paar maanden na hun huwelijk in de logeerkamer gaan slapen. Samuel gilde haar elke nacht wakker, en ze moest er vroeg weer uit. Liza zei dat hij alleen slapend zijn emoties kon uiten, maar dat zij geen zin had daar elke nacht de gevolgen van te dragen. Samuel snapte het wel, maar vond het bed sindsdien nog killer.

Samuel: een verhaal in acht delen V

Het eerste wat Samuel te doen stond was het bundeltje dollarbiljetten wisselen bij een geldkantoortje. In de omgeving van het station wemelde het van dit soort nerinkjes maar Samuel vertrouwde er maar één: die van de blinde Constanza. Constanza was een vrouw uit het milieu die god en alleman tussen haar benen had gehad en omdat ze blind was al haar voormalige clientèle herkende aan hun lichaamsgeur. Constanza was onmogelijk te belazeren, bovendien was ze kampioen messenwerpen geweest in haar jeugd, en hoewel zo blind als een vleermuis, missen deed ze nog steeds niet. Haar minuscule kantoortje was vanbinnen geheel behangen met posters van oude films met lang overleden internationale sterren. In haar glorietijd kon Constanza zelf doorgaan voor een filmster, nu woog ze zo’n 180 kilo en geloofde niet in lichaamsontharing. Toen ze Samuel in het oog kreeg gooide ze de peuk uit haar mond weg en begon met haar zware stem een liedje te zingen uit de tijd van hun revolutionaire jaren. Samuel wierp haar een kushandje toe, maar versnelde toch zijn pas, want zelfs in deze buurt konden de verkeerde oren meeluisteren.

Eenmaal binnen in het wisselkantoortje kreeg Samuel het relaas te horen van hun vele gemeenschappelijke kennissen. Constanza wist met haar enorme netwerk alle nieuwtjes altijd voor iemand anders ze wist en fungeerde in het verleden daarom vaak als parkiet in de mijn: als zij zei dat iets niet in de haak was, kon je maar beter een tijdje de stad verlaten. Terwijl ze Samuels biljetten telde, schoof ze abrupt een krant over de toonbank naar hem toe. ‘Pas openen in je hotelkamer’, siste zei, en terwijl Samuel de krant pakte legde ze met veel misbaar een gigantische stapel biljetten voor zijn neus neer. Geld was in deze contreien een bulkgoed.

Nadat ze samen nog een lokaal digestief genuttigd hadden, ging Samuel weer op pad. Het was hem nooit eerder overkomen dat hij bezorgd was weggegaan bij Constanza. Maar die hele affaire met de krant bezorgde hem een knoop in de maag. Voorlopig kon hij niet terug naar zijn hotel, en hij was wel wijzer dan in te gaan tegen een opdracht van zijn oude vriendin. Met de krant krampachtig onder zijn arm geklemd liep hij terug in de richting van de kathedraal, waar hij plaats zou nemen op het drukke terras van een toeristisch restaurant. Zijn cover mocht geen scheuren gaan vertonen, daar was hij altijd op beducht geweest en na de ontmoeting met Constanza wist hij zeker dat hij nog meer op zijn hoede moest zijn dan anders.

Na een uitputtend lunch waarbij hij vrijwel constant foto’s aan het nemen was geweest van de kathedraal en een smerige pizza had weggewerkt, toog hij naar een officieuze bushalte waarvandaan knalrode bussen met open daken vertrokken. Voor de prijs waarmee je in deze stad een week kon reizen met het openbaar vervoer, kocht hij een ticket voor de ‘Hop On Hop Off Bus’. Het was veiliger dan een taxi nemen en Samuel wist dat de bus ook stopte aan de oude Opera, van waar het een korte wandeling zou zijn naar de Calle de Gaztambide.

Constanza’s krant brandde in zijn oksel en de vochtige warmte wakkerde het unheimische gevoel in zijn maag aan. Arturo Santoz Rodriguez zou als alles goed was op hem wachten op nummer 231 A, maar hoewel hij blind op Helena vaarde en hij alles had gedaan om geen argwaan te wekken bij de verkeerde mensen, vertrouwde Samuel het niet. Voordat hij zich zou melden bij Arturo, zou hij nog één tussenstop maken. Hij wist dat het gevaarlijk kon zijn, maar als Samuel iets had geleerd in al die jaren, is dat hij nooit zijn buikgevoel moest negeren.

Op het bovendek van de bus haalde hij een oud Nokia-toestel uit zijn binnenzak. In de contactenlijst stonden drie namen, één daarvan zou exact weten wat hij moest doen. Samuel hoorde hoe de telefoon krakend overging. Als ze opnam, zou dat alleen al een goed teken zijn. Een heel goed teken. De bus stopte voor het Operagebouw. Aan de andere kant van de lijn nam een vrouw op. Samuel haalde diep adem, ‘ik ben het’. ‘Wie anders?’, en tot Samuels verbazing liepen de tranen over zijn wangen.