Izaac en Emilia

Izaac lag midden op het kingsize hotelbed met zijn ogen gesloten. Hij sliep niet. De zware gordijnen waren dicht, buiten was het middag en scheen de zon uitbundig. Een vlieg zoemde rond zijn hoofd, en ergens in de verte hoorde hij het doffe gedreun van muziek. In de stad was het carnaval in volle gang. Het boezemde hem een vage angst in, alsof in de verte de oorlogskanonnen dreunden.

Emilia was niet in de kamer. Ze was die ochtend vroeg opgestaan en zonder dat Izaac het doorhad de kamer uitgeglipt. Ze was boos geweest vannacht. Hij had zich als een jaloerse teef gedragen. Haar woorden. Izaac herinnerde zich weinig van de laatste uren, alleen de scène waarin ze hem een jaloerse teef noemde stond hem helder voor de geest. Het was gebeurd in de zoveelste bar, na de zoveelste mierzoete cocktail. Izaac was van de dansvloer geglipt waarop Emilia hem steeds gegijzeld had weten te houden. Dorstig was hij naar voren gedrongen bij de bar om een dubbele wodka te bestellen, genoeg als hij had van de kleurige drankjes van de tenten ervoor. Toen hij zich omdraaide om te kijken of hij haar nog kon zien, werd ze net in de nek gekust door een man met een rood overhemd aan. Het was niet ongebruikelijk dat Emilia door mannen werd aangeraakt, zeker niet op de dansvloer, maar iets in de houding van de man had Izaac gealarmeerd. Alsof het dit keer niet de zoveelste geile vreemde was, maar een oude kennis, erger: een oude liefde. Izaac had zijn glas op de grond gegooid en was onvast de dansvloer opgestapt. Hij had de man een duw in de rug gegeven en geroepen dat hij met zijn poten van zijn meisje af moest blijven. De man was met zijn hoofd tegen Emilia’s sleutelbeen gebotst waardoor Emilia in haar strakke cocktailjurk haar evenwicht was kwijtgeraakt en achterover de menigte in was gevallen. Net op het moment van haar val keek hij recht in haar ogen. De vurige haat waarmee ze hem aankeek had hij nooit eerder gezien. Hij wilde haar oprapen, maar ze schopte zijn hand weg met één van haar pumps. De vreemde man depte met een zakdoek zijn hoofd en greep Izaac bij zijn jasje. Hijo de puta, schuimbekte het in Izaacs oor. Maar wat kon hem de man nog schelen? Alles wat hij nog zag was Emilia’s blik. Toen ze opnieuw recht stond had ze het in zijn gezicht gespuugd: jaloerse teef. Daarna had ze de man bij zijn arm meegetrokken, de zaak uit. Izaac had haar die nacht niet meer teruggevonden, ook al was hij in al haar favoriete bars geweest. Het deed hem het ergste vermoeden.

Achter zijn oogleden speelden de flarden van de nacht zich opnieuw af. Hij vroeg zich voor de zoveelste keer af waar ze kon zijn. Hij stelde haar voor op een zonnig terras met de nieuwe zonnebril in haar geverfde blonde haren en haar gestreepte zomerjurk net te hoog opgetrokken over haar gespierde dijen. Altijd als hij aan haar dacht, dacht hij ook aan die dijen. Slank, donkerbruin. Ze onderhield ze met zorg. Sowieso onderhield ze zichzelf goed.

Het was haar pensioen, had ze tegen hem gezegd toen hij haar voor het eerst had ontmoet, nu zoveel jaar geleden. Die eerste keer zou hij onthouden tot zijn laatste snik. Hoe ze uitdagend naar hem lachte met haar spierwitte tanden terwijl ze koket haar dikke haar over haar schouder wierp. Ze leek wel een actrice geweest op de set van een oorlogsfilm. Alles was zo grauw geweest in die dagen. Maar Emilia was niet grauw. En hoewel Izaac ook wel wist dat hij nooit de enige kon zijn, deed hij heel graag alsof.

Izaac ging langzaam rechtop het bed zitten. De vlieg kroop over de sprei. Zijn hoofd bonsde terwijl hij zijn koffer optilde en er zijn net gestoomde zomerpak uithaalde. Sinds hij Emilia kende, droeg hij altijd een pak. Emilia was geen vrouw voor casual. In de hoek van de kamer lagen haar pumps en jurk van de vorige nacht. Haar parfum hing vaag in de lucht, een dure geur, zwaar en onvermijdelijk. Na die eerste keer hadden ze een pact gesloten. Samen zouden ze weggaan uit de stad waar niemand meer op hen wachtte. Ze zouden het leven gaan leiden op hun voorwaarden, te lang waren ze misbruikt door anderen, bespeeld door een lot dat al voor hun geboorte vast had gelegen. De oorlog had alles kapot gemaakt, de stad, hun jeugd, maar ze waren er ook keihard uitgekomen. Niets maakte hen nog bang, of dat vertelden ze toch graag tegen elkaar. Zij hadden al het lelijke van de wereld al gezien. Nu was het tijd voor… ja waarvoor? Izaac wist het niet meer, hoewel hij het geluk van de opwinding nog voelen kon. Hun doel waren ze inmiddels kwijt. Het geluk ook.

Op straat klampte de hitte zich aan hem vast. Zijn katoenen pak was luchtig, maar het klimaat in deze streken kon mensen ziek maken. Langzaam stak hij de drukke boulevard over in het uitzinnige zonlicht. Hoe veel keren had hij er al niet zo bijgelopen? Ziek van onrust en verlangen, verhit op zoek naar haar. Hoeveel steden, hoeveel hotels? Izaac telde niet, nooit gedaan. Dat was ook onderdeel van hun verbond: niet omkijken. Nooit meer omkijken. Emilia was daar beter in dan Izaac, dat had hij na al die keren wel geleerd. Zij kon in één dag de liefde van haar leven tegenkomen en ‘s avonds al dansen met een ander. Izaac niet. Izaac danste alleen met haar.

Opnieuw zou hij alle bars afgaan waar hij hoopte haar te treffen. Rokend, te hard lachend, met een gloednieuwe minnaar, de man met het rode overhemd alweer vergeten. Hij zou achterin gaan zitten, zijn hoed op het tafeltje leggen en wachten terwijl hij zijn wodka dronk. Na een paar bars zou ze doen alsof ze hem ineens zag zitten. Ze zou aanschuiven, naar hem vooroverbuigen en naar hem lachen. Dag lief teefje, hier ben ik weer. Ze zouden dansen.