Samuel: een verhaal in acht delen III

De bar waar Samuel zijn moest lag achter de kathedraal, aan een plein met platanen. Het zonlicht viel in blokjes op de straatstenen. De kroeg was één van de oudste van de stad en Samuel was er vaak geweest tot diep in de nacht. Maria, de barvrouw, kende hem, maar wist wel beter dan dat te laten merken toen hij de zaak binnenstapte. Hij sprak er graag af omdat hij wist dat iedereen die er werkte te vertrouwen viel. Maria had wel eens tegen hem gezegd dat het verzet haar zaak personeel kostte: om de haverklap zat er weer een ober vast of was de chef spoorloos verdwenen.

In een hoek achter een pilaar had Samuel haar al zien zitten. Ze was ravissant maar de tijd dat hij daar gevoelig voor was, lag ver achter hem. Haar zwarte haar droeg ze in een staart en haar groene ogen keken hem staalhard aan. ‘Dag Helena, lang niet gezien’. Ze glimlachte en stak haar hand uit. Koel en droog, perfect gemanicuurd. ‘Je bent oud geworden, is je vrouw bij je weg?’. Samuel negeerde haar vraag en ging zitten. Naar de barvrouw riep hij zijn bestelling door, hij moest snel nadenken. Hoe wist Helena dat zijn vrouw hem had verlaten? Was het toeval of daagde ze hem uit? Niemand had hij verteld dat Liza sinds vorige maand was verdwenen. Helena kon het logischerwijs onmogelijk weten, hij had geen vrienden aan wie hij iets toevertrouwde en zijn ouders waren al jaren dood. Hij keek naar zijn handen, elke trilling kon hem verraden.

Glimlachend keek hij haar recht aan: ‘We zijn gelukkiger dan ooit, dat is extreem vermoeiend, maar daar weet jij alles van af, non?’. Helena zei niets, maar haar uitdrukking bezorgde hem rillingen. ‘Enfin! Laten we zaken bespreken. Jij bent hier vandaag aangekomen? Wij willen graag dat je voor het einde van de dag contact legt.’ En zonder nog iets te zeggen schoof ze een witte envelop over tafel naar Samuel toe, stond op en wiegde de zaak uit. Haar lange benen waren gebruind, ze rook naar een dure geur. Samuel zou haar waarschijnlijk nooit meer zien, of ze stond ineens weer voor zijn neus. Dat wist je bij Helena nooit. Samuel wist er alles van.

Hij stond op en liep naar de bar. De barvrouw zette zijn favoriete bier voor hem neer. ‘Van het huis, omdat je er nog bent’. Samuel lachte. Het was fijn ergens in de wereld een plek te hebben waar hij zich thuis voelde. In zijn eigen huis was dat nooit zo geweest, Liza had waarschijnlijk al jaren een ander. De laatste keren dat ze ‘s avonds niet meer thuis kwam, verzon ze zelfs geen excuus meer. Samuel had al haar minnaars brieven gevonden maar ook daar reageerde Liza niet op. En Samuel liet haar gaan, zonder haar redde hij het ook wel. Dat had hij altijd gedaan. Maria deed een schoon schort voor en liep de keuken in. Zonder afscheid te nemen ging Samuel op pad. Maria zou hij zeker nog spreken voor hij de stad weer verliet. Maria. Als het aan hem lag, zou hij bij haar blijven, en gelukkig zijn als kok in haar piepkleine keukentje. Maar Maria had hem meer dan eens afgewezen, en Samuel wist ook wel dat hem dat geluk niet gegund was. Bovendien viel Maria op vrouwen, ook al bestond dat in dit land officieel niet.