Samuel: een verhaal in acht delen VI

Met de telefoon aan zijn oor gedrukt stapte Samuel af en begon in de richting van de Opera te lopen. Aan de andere kant van de lijn hoorde hij de warme stem van zijn zus Nay. Officieel was ze geen familie, maar Nay en Samuel hadden samen een deel van hun jeugd doorgebracht in hetzelfde pleeggezin nadat de ouders van Samuel opgepakt waren en hij jaren niet wist waar ze waren. Nay’s ouders waren omgekomen en Nay was naar een rijk familielid in het noorden gestuurd die er echter niets in zag om een kind op te voeden van een ander. Nay had een tijdje op straat geleefd voordat ze in het pleeggezin terecht was gekomen. Samuel kende niemand zoals Nay. Ze had een harde jeugd gehad maar was altijd zachtaardig gebleven. Nay was streetwise op een beschaafde manier, en er was niemand die Samuel meer vertrouwde dan zijn zus.

‘Kun je praten?’, ‘Ja. Of eventjes toch.’ En in een paar korte zinnen legde hij Nay de situatie voor. Ze had geen tijd nodig om na te denken, en bevestigde zijn onderhuidse wantrouwen. ‘Ga er niet heen. Het is een list, ze willen je pakken. Ga naar een drukke plek, openbaar, een bankje in een park en open de krant daar. Je kunt niet meer terug naar je hotel. Althans: niet voordat je weet wat er in die krant zit.’ Samuel had zoiets zelf ook al bedacht maar het betekende veel voor hem zijn vermoedens door zijn zus bevestigd te zien. Hij moest ophangen maar ook dat wist Nay. Hun gesprekken duurden nooit langer dan een paar minuten, gevaar had altijd op de loer gelegen zolang ze elkaar kenden. Nay wist nooit waar Samuel was, en hij wist nooit waar zij was. Maar het was genoeg te weten dat de ander ergens was en Samuel had altijd gehoopt dat hij eerder dood zou gaan dan Nay. Een wereld zonder haar stelde hij zich liever niet voor.

In plaats van naar het adres te gaan, liep Samuel richting het stadspark dat achter de Opera lag. Het was een prachtige groene long, met een enorme vijver in het midden waar mensen met gehuurde bootjes op roeiden. Overal speelden kinderen en aan elke ingangspoort stonden wagens met opengeklapte luifels die koffie, snoep en ballonnen verkochten. Samuel kocht een kleine koffie in een kartonnen bekertje en zocht een bankje uit bij een drukke ingang waar verder niemand op zat. Hij vouwde de krant voorzichtig open en zag een kleine envelop met plakband op de pagina geplakt zitten. In de envelop vond hij een foto van de man waarvan hij ook een foto had, maar nu zat hij niet op een scooter maar op een terras met een donkere man. Met een schok herkende Samuel de man van die ochtend in de ontbijtzaal. Het was een val, en Constanza had hem voor de zoveelste keer gered.

Samuel dacht snel na. Als hij voor de dag om was zich niet gemeld had op de Calle de Gaztambide zouden zijn achtervolgers weten dat hij hen doorhad. De vraag was wat ze precies van hem wilden. Wilden ze hem opsluiten of wilden ze via hem aan Helena komen. Samuel had het koud, in de verte hoorde hij het gejoel van spelende kinderen, maar het drong niet echt tot hem door. Hij had altijd geweten dat er een dag zou komen dat ze hem zouden ontmaskeren, en hij wist dat hij niet in paniek moest raken. Het was nu vooral van belang geen anderen in zijn netwerk in gevaar te brengen. Maria was misschien al in de problemen gekomen na zijn bezoek vanmiddag aan haar bar, maar om Maria maakte hij zich geen zorgen. Zij was al vaker op brute wijze verhoord, en voelde geen angst meer voor de regering, slechts minachting. Toch hoopte hij vurig dat ze haar dit keer met rust zouden laten. Maar Samuel wist ook wel dat dat niemand gespaard werd. Hij moest zien te verdwijnen, maar daar had hij eigenlijk helemaal geen zin in.

Samuel was nooit geneigd geweest zijn problemen uit de weg te gaan. Nog jaren nadat zijn ouders verdwenen waren, was hij hen blijven zoeken, hoezeer anderen hem dat ook afraadden. Zijn ouders werden als verraders gezien, ze hadden de verkeerde kant van de geschiedenis gekozen, en hun kind werd als een schandvlek beschouwd. Zijn soortgenoten deden er alles aan om op te gaan in hun omgeving, het hoofd gebogen, alle vernederingen ondergaand. Maar Samuel was anders. Hij vertikte het om zich te schamen voor zijn ouders. Hij wist dat het niet waar was wat er werd verteld, maar niemand wilde hem helpen. Nog steeds werd hij midden in de nacht vaak wakker uit een droom waarin hij zijn moeder zag liggen middenin hun woonkamer. Een vreemde man lag op haar, kwijl kwam uit zijn mond. Zijn vader had hij nooit meer gezien, die zat waarschijnlijk al in het arrestantenbusje dat buiten bij hen voor de deur stond. Samuel had hem die ochtend voor hij naar school ging nog een kus gegeven. Soms kwam zijn vaders geur in de droom bij hem terug. Liza was al een paar maanden na hun huwelijk in de logeerkamer gaan slapen. Samuel gilde haar elke nacht wakker, en ze moest er vroeg weer uit. Liza zei dat hij alleen slapend zijn emoties kon uiten, maar dat zij geen zin had daar elke nacht de gevolgen van te dragen. Samuel snapte het wel, maar vond het bed sindsdien nog killer.