Samuel, een verhaal in acht delen VII

De hitte drukte op Samuels lichaam, zijn haar voelde aan als een helm door de pommade die niet toeliet dat zijn zweet kon verdampen. Een walm weeïge popcorngeur draaide zijn maag om. Hij wilde opstaan, maar wist niet waar hij heen moest gaan. Nooit eerder in zijn leven vochten verzet en angst zo om voorrang in zijn hoofd. Samuel verlangde naar een koel bed onder een zoemende fan, met frisse witte lakens en een zachte zeebries die hem in slaap wiegde. Het was een gestolde herinnering van alle middagen die hij naast Helena had gelegen, misschien wel de gelukkigste dagen in zijn leven, die Samuel altijd opriep als hij tot rust wilde komen. Maar in plaats van een geruststellende uitwerking bezorgde het beeld hem steken in zijn maag en kloppende slapen. Hij stond op maar het park draaide voor zijn ogen. Voorzichtig liet hij zich terugvallen op het bankje, de krant was van zijn schoot gegleden, de foto met de afbeelding naar beneden lag in het zand. Samuel hield zijn hoofd tussen zijn handen, hij probeerde zijn ademhaling onder controle te krijgen. Een verzorgde damesvoet verscheen onder zijn neus, ze stapte op de foto. Terwijl ze vooroverboog en hem op de wang kuste, pakte ze de krant op en legde hem over de foto. Toen hij opzij keek, zag hij dat het de serveerster uit de ontbijtzaal was. ‘Dag liefste’, glimlachte ze. ‘Qué calor, non?’, en pakte zijn hand.

Haar grip verstevigde zich onzichtbaar terwijl ze haar dij dicht tegen Samuels been drukte. De krant lag nu onder de bank, uit het zicht voor voorbijgangers. Een kleine jongen met een zakje duivenvoer ging voor de vrouw staan. Zijn ogen waren amberkleurig, net als die van zijn moeder. Zijn haar was donkerrood, iets wat in dit land zelden voorkwam. ‘Dit is Victor, zeg eens hallo tegen Samuel, Victor’, zei de vrouw. Victor schudde Samuel plechtig de hand, Samuels handpalm was plakkerig van het zweet. Na hem ernstig opgenomen te hebben liet de jongen zijn hand weer los. ‘Ga maar spelen’, zei de vrouw. Op een drafje liep Victor naar een troep duiven bij een marmeren fontein waar hij zijn zakje voer in één keer leeg kieperde. Victor rende gillend door de klapwiekende dieren heen, verbeten probeerde hij een duif te vangen. Samuel had zijn ademhaling weer onder controle, hij veegde het zweet van zijn voorhoofd.

‘Zal ik dan toch maar je gezelschapsdame voor vandaag zijn?’. Samuel kuste haar hand, ‘hoe zal ik mijn gezelschapsdame noemen?’. ‘Consolación, alleen voor jou, alleen voor vandaag.’ Samuel lachte, de vrouw zette haar tas op de grond. ‘En ook alleen voor jou, alleen voor vandaag noem ik je Samuel, señor Singer.’ Ze stak een sigaret op. De rook uitblazend zei Consolación: ‘En we moeten jou hier heel snel weg krijgen.’ Samuel knikte, liet haar hand los en veegde de krant onder de bank vandaan met zijn voet. ‘Eerst even dit weggooien’, maar voor hij richting de vuilnisbak kon lopen, zette Consolación haar sigaret op de krant, en wapperde ermee naar Victor. De jongen zette het op een krijsen, en voor Samuel wist wat er gebeurde, liep de vrouw luid foeterend op haar zoontje af met de brandende krant boven haar hoofd.

‘Rotbeesten, smerige, vuile ratten! Blijf van mijn kind! Blijf er af!’ Stukken brandend papier landden tussen de duiven die in paniek uiteen stoven. Victor bleef gillen en Consolación bleef tieren en met de krant slaan tot er weinig meer over was dan een hoekje papier. Ze gooide het in de vijver en pakte Victor bij zijn hand. Luid pratend troostte ze haar kind en liep met Samuel aan haar andere hand naar een kraampje met ijs. Gedrieën likkend aan een felkleurig bolletje wandelden ze richting de bootjesverhuur. Samuel betaalde en het komende uur zaten Consolación en Samuel opzichtig te flikflooien te midden van de parkvijver terwijl Victor over de rand met zijn handen vissen probeerde te vangen.

Verdoofd door de hitte van de zon, en zelfs een beetje verbrand stapten ze aan wal. Het park zou snel sluiten, en slenterend voegden ze zich bij de stroom bezoekers die door de hoofdingang de stad weer inliepen. Victor liep zwijgend tussen hen in. Samuel voelde zich opgelaten, hij wist zich bij kinderen nooit een houding te geven. Victors zwijgen was niet nukkig, eerder onverschillig. Samuel vreesde dat hij lang niet de eerste vreemde man was met wie zijn moeder hand in hand liep. Maar het was ook geen jaloers zwijgen. De jongen had hem niet vijandig behandeld, hij was gewoon een kind van dit land. En de kinderen hier leerden al heel vroeg dat je beter geen vragen stelde. Hoe minder je weet, hoe veiliger. Victor kneep in Samuels hand. Consolación mocht trots zijn op haar zoon.